Bestralingen

Polikliniek stond er in witte letters op de grote blauwe pijl. De motregen viel rechtstreeks op mijn hoofd. Ik probeerde zo snel mogelijk naar de inkom te wandelen, maar mijn lichaam was nog niet helemaal hersteld, met als gevolg dat mijn ademhaling veel sneller ging dan normaal. De laatste 50 meter begon mijn hoofd echt koud te krijgen van de regen en zachte wind, nochtans was het buiten niet koud.

De receptionist nam een foto van mij voor mijn dossier, de foto die ik tijdens mijn eerste bestraling op het scherm naast de machine zag verschijnen. Ik kreeg een brochure mee en kon daarna in de wachtzaal plaats nemen. Ik had een afspraak met Professor Boterberg voor de verdere afspraken in verband met mijn bestralingen.

Na een 5-tal minuten werd ik vriendelijk verzocht om plaats te nemen in ‘consultatie-ruimte 2’. De deur werd achter mij gesloten en de stilte viel de ruimte binnen. Ik denk dat ik er maximum 5 minuten heb moeten wachten, maar de tijd gaat traag als je alleen bent, en het stil is.
‘Wouter? Ik ben Professor Boterberg’ ‘Ja’, zei ik, ‘aangenaam Professor.’
Samen overliepen we wat er allemaal gebeurt was, van het ‘vinden’ van de vlek, tot de laatste chemo. Na het gesprek werd ik van kop tot teen onderzocht, zodat we ‘niets over het hoofd zien’.

‘Hebt u weet van een tweede vlekje?’
Stilte. Bedenkelijk en geschrokken kijk ik achter mij. ‘Neen, ik ben niet op de hoogte, ziet u een tweede vlekje?’
Mijn T-shirt hield ik stuntelig omhoog omdat ik de reactie van de Professor wou zien.
‘Er is een vlekje op uw rug die niet tot de zone van het andere vlekje behoort. Maar ik voel er niets onder, ik zou mij alleszins geen zorgen maken, we zullen het opvolgen.’
De Professor nam een foto en stuurde die prompt naar de hematoloog en belde ze op met de vraag of zij iets gezien had.
Echt rustig kon ik niet blijven in die situatie. Na het telefoongesprek vroeg ik door tot de Professor mij probeerde te sussen. ‘Hoogstwaarschijnlijk zal het niets zijn, maar ik wil niets uitsluiten.’
Mijn hoofd sloeg op hol. ‘Zie je wel?! Nog één, hup! Daar gaan we …’. Ik probeerde de woorden van de Professor te herhalen voor mezelf: ‘Het zal niets zijn, rustig, het zal niets zijn.’
Vanbinnen enkel paniek.

De rest van mijn lichaam leek vlek-vrij. Met kleren aan mocht ik terug plaats nemen tegenover de Professor. De afspraken werden verder gemaakt en 2 minuten later stond ik terug op de gang.

De zin: ‘er is een tweede vlekje’ spookte door mijn hoofd.
De verpleegster gaf mij een volgende afspraak, de dag van mijn eerste bestraling. Ik passeerde de wachtzaal, de receptie en de hal. Naast de inkom stond een oude bank, waarschijnlijk gerecupereerd van het oude gebouw die hier vroeger stond. Ze was mooi gezandstraald.
Ik nam plaats. Er liep niemand in de buurt, de parking stond vol met auto’s. De zon zat achter de wolken. Ik boog mijn hoofd naar beneden, mijn beiden handen op mijn achterhoofd en zuchtte diep. Een druppel rolde van mijn neus op de grond.

 


 

5 April, de dag van mijn eerste bestraling. Hetzelfde ziekenhuis, hetzelfde gebouw, 5 dagen later. Ik had een parkeerkaart gekregen om ‘zonder te betalen’ op de parking van het UZ te geraken. Aangezien ik 20 dagen moet komen lijkt mij dat inderdaad geen extraatje. Er is parking voorzien naast het gebouw waar duidelijk ‘patiënten’ op staat, mijn auto kwam op parking nr. 2 tot stilstand. De parkeerkaart voor de ruit en binnen richting ‘Synergie 3’.

Het effectieve bestralen duurde bij mij 2 minuten. Het ‘klaar zetten’ en ‘goed leggen’ duurde véél langer. De machine maakte geen lawaai en gaf geen raar gevoel. Na de eerste bestraling had ik wel een enorme jeuk. Alsof het monstertje weer wakker werd, verbrand werd. De jeuk duurde enkele uren en verdween dan weer.

Na de eerste bestraling, die geleidt werd door de Professor, nam hij mij apart. Hij wou mij duidelijk maken dat de ‘tweede vlek’ niet verandert is t.o.v. de vorige keer. ‘Zoals afgesproken met de hematoloog zullen we opvolgen, er is helemaal geen reden tot paniek. We kunnen gewoon geen risico’s nemen.’
Met een geruster hart kwam ik buiten. De eerste zat er op, nog 19 te gaan.
Later op de avond stuurde ik hem een foto van enkele maanden terug en kon hij uitsluiten dat het ‘alarmerend’ was, een pak viel van mijn schouders.

Onderhuids blijft toch die twijfel de kop op steken. Het woord kanker heeft in de volksmond het kenmerk ongeneeslijk te zijn, telkens terug te komen en voor de rest van je leven te zijn. Ik heb dat nog nooit een dokter horen zeggen tegen mij, maar toch spoken die slechte gedachten door mijn hoofd.
Ik weet dat ik er hoogstwaarschijnlijk zonder problemen zal doorkomen, de kansen zijn immers in mijn voordeel. Maar door die twijfel wordt de ‘weet’ af en toe een ‘hoop’ en dat maakt het mentaal niet altijd even simpel.